Bep Hertogs

HERINNERINGEN AAN KATENDRECHT VAN VÓÓR 1945

   Mijn naam is Bep Hertogs.
Ik ben geboren op 11 mei 1925 aan de Rechthuisstraat 27a, waar ik gewoond heb tot maart 1944. Ik was de derde opeenvolgende in een gezin van zeven kinderen.

Mijn vroegste herinneringen aan Katendrecht zijn toch wel de gezelligheid en dat het schoon en vooral veilig was, waar wij kinderen heerlijk konden spelen. Er waren brede stoepen om te hinkeperken, knikkeren, hoepelen, diefje met verlos en ga zo maar door. We hoefden toen geen rekening te houden met het verkeer want een vrachtwagen of auto was zeldzaam.

Voor 8 uur moesten de matten geklopt en de pui gedaan, ramen en straat waren voor 10 uur schoon en in de winter was het sneeuwruimen. Wanneer de lantaarnopsteker met zijn ladder kwam had hij veel bekijks. Thuis hadden we een gaslamp, maar alleen moeder mocht het kousje aansteken en vader hield de kinderen op afstand.

   In de gang was het ‘gaskastje’ met de meter waar een gaspenning in moest. Je moest op je knieën zitten om de penning erin te stoppen. Het gebeurde wel dat mensen geen geld hadden om een penning te kopen en dan in een 2,5 centstuk een keepje maakten en deze gebruikten. De lantaarnpaal werd later door ons gebruikt als speeltoestel. Een touw over de arm en dan dubbel was het een zweeftoestel, daar genoten we van. Maar we hadden een strenge wijkagent op Katendrecht, wij noemden hem de Boer, en als wij aan het zweven waren stond er altijd een jongen op de uitkijk. En als de Boer in zicht kwam, was het wegwezen. Er was ook veel gras en in de zomer was ‘tenten’ favoriet. Zo noemden wij een paar stokken met een grote lap erover, een fles water en een droge boterham, dat was alles, maar wat genoten we daarvan.

Dan hadden we nog het snoepwinkeltje van Eemens, schuin tegenover ons huis in de Rechthuisstraat. Voor een halfje lang zoeken, wordt het een toverbal, ulevel of duimdrop; wat een geduld had mevrouw Eemens. Hier had je ook de paardenstal van Groeneboom (vervoersbedrijf) die we stiekem als speelplaats gebruikten. Dit was natuurlijk streng verboden en Hannes de voerman en verzorger van de paarden was niet gemakkelijk en vloeken dat hij kon…!

‘s Zomers was het heerlijk zwemmen bij het Charloische bootje, springen van de hoge steiger, dobberen op de golven van de voorbijvarende boten. Ook bij de nieuwe steiger werd er veel gezwommen.

En dan de kolentip, dat was een geliefde plek om in te klimmen, machtig maar gevaarlijk. Het spoor met de kolenwagens naar de kolentip waar ze omhoog werden gehesen en dan in de wachtende aken die aan de kade lagen werden gelost.

In de Rechthuislaan had je een klein intiem RK kerkje wat gewoon midden in de huizenrij stond. Ik ging niet zo graag naar de kerk, wij waren liever op straat, maar ‘s zaterdags moesten we naar het lof, dan zong het mannenkoor met voorzanger Piet Kooiman – een prachtige stem had deze man. Degenen die ik me nog kan herinneren zijn pastoor Bos, pater Klomp Alberts,  pater van Stierum, broeder Harry (kok) en broeder Equidius (koster), deze was erg streng. Als je zonder iets op je hoofd in de kerk zat kreeg je een flinke duw met zijn knokkels in je rug. Broeder Harry was een aardige zachte man.

   Ik heb hier mijn eerste en Plechtige communie gedaan, was mooi, met bruidjes erbij. Ik ben ook nog bruidje geweest, met Palmzaterdag (of zondag?) een grote palmtak in je handen en witte jurkjes natuurlijk!

Als ik zo in gedachten de straten afga, komt er weer een hoop terug. In de Rechthuisstraat was  de Protestantse school en waterstoker Linders. Op de hoek met de Katendrechtste straat had je de gezellige kleine winkels van Koopmans en Freeke. Ook De Waard voor al je kruidenierswaren en natuurlijk de cafés. In de Rechthuislaan had je Romein de groenteboer, een patatzaak, Mul de banketbakker en de fietsenzaak van Stam (?). Hier kon je een fiets huren voor 10 cent het half uur. Hier heb ik samen met Lyda Groeneweg uit de Katendrechtsestraat een keer een tandem gehuurd waarmee we op en neer naar Leiden zijn gefietst. Ik zal toen zo’n 16 jaar geweest zijn. Aan de Veerlaan had je Jamin en Van der Meer & Schoep. In de Atjehstraat was een Ned. Hervormd kerkje en het oergezellige Deliplein met veel cafés en het Chinese boardinghouse.  Op speciale dagen waren er op het grote plein (Chinese) drakenspelen en vuurwerk, schitterend. Met Koninginnedag waren alle straten versierd en werden er spelen en wedstrijdjes gedaan zoals zakkenlopen (en met hardlopen heb ik toen een keer de eerste prijs gewonnen, een horloge). Op de hoek Veerlaan en Lombokstraat de grote winkel van Zee en dan de Molukken, een prachtig bouwwerk, en het veerbootje en het mooie Veerhuisje. De kleine politiepost met strenge agenten en daarachter naast het buizenterrein had je de Put, zoals wij die noemden, waar we koper en centen gingen zoeken en zwemmen.

Het mooie witte gebouw van de Volksbond en daarachter de grote speeltuin in de Tolhuisstraat, de prachtige Katholieke school en het Patronaat waar altijd veel te doen was. O ja, ik kwam nog een vork van de Volksbond tegen [zie foto] en omdat er op Katendrecht geen museumpje (meer) is heb ik ‘m geschonken aan de Oudheidkamer Charlois.

Wie zeker ook het straatbeeld bepaalden waren:  Leen Verstappen de lorrenboer met de grote bel aan de wagen en “lorre” riep, de scharensliep, de schillenboer met paard en wagen en een zwerm huismussen er achteraan en de vuilnisman met zijn ratel door de straten – dan wist je dat de vuilnisbakken naar buiten moesten. De krantenman, die ook schoenmaker was, met een tas voor zijn buik in looppas en roepend: “avondblad!”. De apothekersjongen met zijn witte jas en een grote mand voor op de fiets, aanbellen en roepen: “de apotheker”. De bierbrouwer kwam met paard en wagen regelmatig drank bezorgen hier en daar. De ijswagen die blokken ijs kwam bezorgen bij o.a. de slager – de blokken werden met een haak uit de wagen gehaald en op de schouder naar binnen gedragen. De ijskar: als er geld was mochten we een ijsje van 1 cent. De grote waterwagen die op heel warme dagen door de straten reed; aan beide kanten werden de muren en straten natgespoten – heerlijk, de kinderen lieten zich dan ook natspuiten. En het draaiorgel 1 á 2 keer per week met Aart de orgeldraaier. Enkele vrouwen zeiden dan: “Aart, draai nog eens een steppie” en dan werd er volop gedanst, gewoon op straat. Maar als er iemand overleden was hingen er witte lakens voor de ramen en ging het orgel voorbij.

En dan de havens met de zeeschepen, coasters, aken en grote loskranen. Met Kerstmis werd dit mooi versierd en op Oudejaarsavond klonken om 12 uur de scheepshoorns en kerkklokken. Dan werd er ook vuurwerk afgestoken vanaf een politieboot ter hoogte van de Parkhaven en er was natuurlijk het Chinese vuurwerk.

Ik zat op de R.K. school aan de Tolhuisstraat. De leerlingen kregen geen gymles, dus werd er gespeeld in het Patronaat, aan de rekstok en in de ringen een vogelnestje maken. Er was ook een eetzaal, in de school of het Patronaat waar de kinderen uit arme gezinnen konden eten, maar het was niet altijd lekker! Zij kregen ook een of twee keer per jaar een kledingkaart en in een speciale winkel werd daarvoor kleding en schoeisel verstrekt – nogal herkenbaar en ik schaamde me wel eens hiervoor.

De leraren waren meester Schmit, een fijne man; meester Poppelaars was, geloof ik, het hoofd van school; meester Wiegel gaf zangles en taalles werd gegeven door een juffrouw waar ik de naam niet meer van weet. Een keer per week kwam de pastoor of kapelaan voor godsdienstles: opzeggen voor de klas en een hele week thuis leren. De meisjes kregen naailes van de nonnen. Deze hadden een grijze pij aan en kwamen waarschijnlijk van het Afrikaanderplein maar ik weet dit niet zeker.

Doorleren was er niet bij, alleen voor mijn oudste broer Kees. Ik had graag doorgeleerd voor kinderverzorgster, maar daar was geen geld voor. Ik was bijna 13 toen ik van school kwam en thuis was het toen moeder helpen en op de jongere kinderen passen. Vader was werkloos, maar wel altijd bezig. Schoenen repareren, volkstuintje bijhouden (waar hij aardappelen en wat groenten had staan) en hij stampte de was, waar Linders warm water voor kwam brengen –  ’s zomers op de veranda en in de winter binnen. Verder was hij een echte stadsjutter. Overal lag wel iets wat gebruikt kon worden. Moeder verdiende een paar centen bij met naaiwerk voor anderen.

Toen de Ambtenaar van de raad van Arbeid bij ons aan huis kwam – dat ging geloof ik over gaan werken of controle hierop –  speelde ik nog met poppen. Op mijn 14de ging ik werken. De eerste twee maanden op het atelier van herenmodezaak Van Dijkhof in de Hoogstraat. Hier moest ik weg omdat ik linkshandig was. Daarna ging ik naar het atelier aan de Oppert voor 5,5 dag per week. Met het veerbootje over en de rest lopen met zus Jo, die ook in de stad werkte … via de Schiedamsesingel, Schiedamsedijk en de Laurenskerk.

De verdiensten waren in het begin 2 gulden per week; later kreeg ik wel een klein beetje opslag. Wij kregen 1 dubbeltje van een gulden. Dus het zakgeld was 20 cent per week. Hiervan gingen we             ’s zaterdags langs Jamin voor 10 cent een zak koekkruimels kopen – er zaten soms ook grote stukken in. ’s Zondags trakteerden mijn oudere zus Jo en ik onze vader en moeder op een roomsoes, twee voor 5 cent bij Van der Meer & Schoep. In het zakgeld was ook het kerkgeld begrepen.

Op 10 mei 1940 was het afgelopen met werken, toen brak de oorlog uit. ’s Ochtends ging ik nog naar het bootje om te gaan werken: het was akelig stil, heel vreemd. Twee Nederlandse soldaten, niet zo jong meer, met de bajonet op het geweer, hielden mij aan en vroegen: “Kindje waar ga je naar toe?“ Toen ik zei dat ik naar mijn werk wilde gaan antwoordde een van hen: “Meisje, ga gauw naar huis, het is oorlog!”

En die oorlog was het begin van het einde van mijn mooie, veilige en gezellige Katendrecht.

Mensen uit de stad zochten hun toevlucht op Katendrecht. Er was nog maar weinig werk, maar ik kon hier en daar tijdelijk werken als hulp in de huishouding en ook op scholen wat schoonmaken. Het laatste bij de familie Tsang-Junius in de huishouding en voor de kinderen zorgen, speciaal voor baby Hosang, het zevende kind. De familie woonde aan de Brede Hilledijk boven de dubbele garage van – meen ik – Van Welzenes. Als er luchtalarm was dan ging ik met de baby in mijn armen op de trap zitten. Als het gevaar voorbij was dan kwam een aantal Chinezen uit het boardinghouse kijken of alles in orde was.

Het luchtalarm ging regelmatig, ook ’s nachts en dan moesten we naar de schuilkelder op het voetbalveld. Ik kan me nog heel goed de vijandelijke vliegtuigen in de zoeklichten herinneren en als we door het raampje van onze voordeur keken konden we een gedeelte van de bommen zien die op de binnenstad vielen. En de schepen gingen alleen nog in konvooi de haven uit.

Naast het voetbalveld stond ook een houten gebouwtje, dat gebruikt werd als stempellokaal voor de werklozen. Er moest iedere dag gestempeld worden, maar nooit op dezelfde tijd.

Er werd veel kleding ingezameld voor  de slachtoffers van het bombardement en dit werd uitgedeeld in de gymzaal van de school in de Tolhuisstraat. Daar was ik toen aanwezig om te helpen en kon toen ook voor het eerst pas goed deze gymzaal bekijken.

Mijn oudste broer Kees werd begin 1942 door de arbeidsinzet naar Duitsland getransporteerd. Toen Frankrijk werd bevrijd is hij samen met een paar vrienden uit Duitsland ontsnapt en naar Frankrijk gevlucht – wat zijn tweede vaderland is geworden. Hier is hij na de oorlog getrouwd en hier heeft twee kinderen gekregen.

Vader kwam uit Steenbergen in Noord Brabant. Ik had ooit beloofd aan familie die daar woonde te komen helpen als dit nodig was. Begin 1944 kwam die noodkreet: tante was overleden. In februari  ben ik afgereisd, toen niet wetende dat ik door de oorlogssituatie niet meer terug kon.

Oktober 1944 werd Zuid Nederland bevrijd en mei 1945 volgde de rest van Nederland. Ik ben heel lang bezig geweest voor het verkrijgen van een vergunning om naar Rotterdam te reizen. Ik werd er wanhopig van en huilend zei ik dat ik naar mijn moeder wilde. Toen ik uiteindelijk toestemming op papier had, ben ik eten gaan verzamelen, door wat te kopen en te schooien om mee naar mijn familie te nemen. Eindelijk was het zover, er was al schriftelijk contact geweest. Op een gehuurde fiets, een maat te groot, met surrogaat banden en een bol touw om onderweg te banden te omwikkelen, een koffer eten achterop, begon de reis naar huis. De Moerdijkbrug was kapot dus moest er worden overgevaren. Het was een hele belevenis om weer in Rotterdam te zijn maar ook een schok. Het was niet het Rotterdam en mijn Katendrecht van weleer, maar ik was wel erg blij dat mijn ouders, broers en zussen nog in leven waren en dat ik weer met ze kon praten. Het eten was erg welkom en ik heb deze reis nog meerdere keren gemaakt. Ik gaf soms ook voedsel met de beurtschipper mee vanuit Steenbergen, o.a. aardappelen en groenten: kruiwagen laden en dan een uur lopen naar de haven. In Rotterdam haalde mijn vader het dan in de haven op. De hongerwinter heb ik zelf niet meegemaakt, maar ik begrijp heel goed wat de mensen in de nog bezette gebieden hebben meegemaakt en hoe ze moesten afzien.

Ik ben nooit meer teruggekeerd naar Rotterdam. Ben in Brabant blijven wonen, 30 jaar in Steenbergen en al weer 38 jaar in Bergen op Zoom. Ik zou er ook niet meer kunnen en willen wonen. En ondanks dat er wel eens verkeerd over je gedacht wordt wanneer men hoort dat je van de Kaap komt, ben ik nog altijd trots op mijn Katendrecht!

© – Bep Hertogs


26 juni 2012: Bep en Corina


en rond 1989: broer Kees

Naschrift van Historisch Katendrecht: Het verhaal van Bep is dáárom zo interessant omdat zij in 1944 uit de Rechthuisstraat 27-A op Katendrecht vertrokken is en daarna nog nauwelijks terug geweest is. Daarom is haar geheugen nog geheel gericht op díe periode en dus niet – zoals bij menig Katendrechter die er nog vele jaren langer heeft gewoond – vermengd met ervaringen uit latere jaren.
En ja, Bep was best wel triest toen zij eind juni 2012 zag hoeveel van haar oude Katendrecht ondertussen onder de slopershamer is gegaan … daar schreef zij ruim een jaar later over. Met hier en daar enige overlapping met wat hierbóven staat, maar al 
rondrijdend en -lopend vielen heel wat herinneringen op hun plaats:

Cultuurschok na sentimental journey over de Kaap.

Eind juni 2012 bracht ik dus met mijn kleindochter Corina een bezoek aan mijn geboorteplaats Katendrecht. Ik had al eerder mijn herinneringen aan Katendrecht op papier gezet, maar om het nu na al die jaren terug te zien, was het een hele schok te ontdekken dat er zoveel niet meer is; het eerste wat ik miste was het Schiphuis en de eerste hulppost, allebei weg. Deze twee waren het begin van de Kaap, wanneer ik die zag was ik thuis!! Daarna het Veerbootje en het prachtige Veerhuisje – dat was een monument – en daarvóór nog de Molukken, onze speelplaats met slecht weer, het oude kleine politiepostje en niet te vergeten de nieuwe steiger en de aanlegplaats van de grote Veerpont.

Wij kwamen van ver, dus eerst met de Stichting Historisch Katendrecht aan de koffie, met een prachtig uitzicht vanaf de 18e etage. Daarna zijn we de Kaap verder gaan bezichtigen, via de Katendrechtselaan naar de Rechthuisstraat, waar ik geen Openbare school en put van Wetsteyn meer zag staan. In plaats van spelende kinderen, vrouwen die hun boodschappen deden bij Freek, Truus en Coba Koopman of vrouw Linders, zag ik een straat vol blik oftewel ‘heilige koeien’. Akelig stil en ongezellig, de winkels leeg, maar in mijn gedachten zag ik veel: opa en oma Ostendorf, opoe met haar lange rokken en knotje, de flamboyante opa met zijn grote snor en zwarte hoed en grote wijde overjas. Opa was kunstschilder en ik was doodsbang voor hem. Dan Boere Kee, een statige vrouw in haar prachtige klederdracht, vooral de muts. Haar echte naam heb ik nooit geweten, zij bemoeide zich met niemand. De twee cafe’s op de hoek van de Tolhuislaan, Duitse Lenie en Scandia; heer Linders met een vaatje heet water op zijn schouder, in de winter een zak kolen, waarmee hij vaak 3 á 4 trappen moest beklimmen. De paardenstal van Hannes, die gelukkig behouden bleef, al wordt het tijd voor een opknapbeurt. In gedachten zag ik weer de Politiekapel en de Marinierskapel, die een paar keer per jaar al spelend over Katendrecht liepen en waar ik achteraan huppelde en dan natuurlijk te laat thuis was. Ik kreeg dan van vader geen eten meer, maar moeder wist altijd nog een boterham mijn kamertje binnen te smokkelen. En niet te vergeten de vrijwillige brandweer met handwagen. Arie Pierse liep in de dissels als een paard (hard lopend – met een mooie ‘loop’) en nog vier mannen om te duwen terwijl er ook nog een man de bel moest luiden; zo ging dat vroeger. Onze bovenbuurvrouw, Jaan Nowee, was erg aardig. Wij hadden thuis geen radio, streng verboden, maar in de oorlog kwam iedere avond klokslag 22 uur het liedje Lily Marleen, razend populair in die tijd. Jaan was zo lief om dan op die tijd met de bezemsteel op de vloer te bonken. Dan wisten mijn zus Jo en ik: nu komt het lied. Jaan zette dan het geluid van de radio wat harder en Jo en ik zaten dan doodstil te luisteren in het voorkamertje. Prachtig om daaraan terug te denken.

Nu weer verder met de ‘cultuurschok’, maar eerst iets positiefs want dat is er natuurlijk ook: de Belvédère was volop in de renovatie, het Walhalla ís al fraai opgeknapt en het Deliplein is ook mooi geworden, maar voor mij leeft het niet echt meer. Toen we door de Rechthuislaan reden zag ik gelukkig het kleine RK kerkje weer terug. Ondanks dat wij hier vroeger met tegenzin naar toe gingen, is het goed te zien dat dat nog behouden is (ook al heeft het nu een heel andere functie gekregen).

AAAAA-110

In mijn  jeugd – en dan met name met  Koninginnedag – was er van alles te doen, zoals wedstrijdspelen op het plein. Ook op het Deliplein de Chinese Drakenspelen: geweldig. Wat ik ook miste waren de waterpomp en het urinoir (de pisbak): deze waren toen niet weg te denken, evenmin als de Peperbus. Zo ook het Boarding House, de cafe’s op het Deliplein en de winkel van Zee. Als je vroeger het Deliplein afliep, dan liep je gelijk tegen een leuk ingerichte etalage aan, maar nu tegen een blinde muur. Ook de kleine huisjes in de Sumatraweg ben ik kwijt en het hervormde kerkje in de Atjehstraat, evenals mijn vriendinnetje Greetje Temling en haar familie.

De Tolhuisstraat hebben we overgeslagen, dus er zal hopelijk nog een vervolg komen van deze journey, en dan met name  voor de RK school, het Patronaat, de bewaarschool, de lage oude huisjes en de gezellige kapperszaak van Speulman.

APdG026 kapperszaak vader Piet

Gelukkig is de Maashaven er nog, al is er wel veel veranderd en ook hier het een en ander verdwenen, waaronder het spoorlijntje, de kolentip, het vrieshuis, de SHV, het Charloise bootje, de waterpomp op het grasveld in de buurt, de oude speeltuin, de Volksbond en de loodsen van Thompson. Het is wel mooi waar nu ‘de Rotterdam’ ligt. En ook het nieuwe wijkje is mooi, maar voor mij is het niet meer het levendige Katendrecht van toen. Alles wat de Kaap zo uniek maakte is helaas in de loop der jaren verdwenen!

Aansluitend hebben we een bezoek gebracht aan de Oudheidkamer van de Stichting Historisch Charlois. Want Charlois en Katendrecht hebben lange tijd samen één gemeente gevormd en in die oude apotheek wordt nog van alles van vroeger’ bewaard. Het was het meer dan de moeite waard om daar rond te mogen kijken. Op de bovenverdieping waren diverse mooi ingerichte ‘tijd’kamers. Gelukkig was er een traplift aanwezig. De mannen van het museum – want zo mag je het wel noemen – zijn, niemand uitgezonderd, zeer gepassioneerd met hun werk bezig en gaven goed uitleg, waarvoor dank!. Het is een mooie locatie, alleen jammer dat het klein is, in een iets groter pand zou deze mooie collectie nog beter tot zijn recht komen. Ik heb ook nog een paar kleinigheden geschonken als een blijvende herinnering aan ‘mijn’ Katendrecht. En ik laat graag deze regels na:

Ode aan Katendrecht van toen

Eens gingen de kranen en zo hier te keer
en was er druk werk en scheepvaartverkeer,
maar dat is lang niet meer.
In mijn jeugd was het een oord van veiligheid
en voor velen van bruisende gezelligheid
Katendrecht: wat was je toch geweldig!

Wie vult het aan……

Eind april 2014 kreeg Bep een hartinfarct en kreeg zij te horen dat het met haar hart niet meer goed zou komen. Op 1 juli is Bep overleden. Met haar kleindochter Corina heeft zij afgesproken dat de fysieke herinneringen uit haar ouderlijke woning in de Rechthuisstraat aan het museum van de Stichting Historisch Charlois zouden worden geschonken.

[weer terug naar boven]

substitute blank jpg

substitute blank jpg

substitute blank jpg

substitute blank jpg

 

Een reactie op Bep Hertogs

  1. jessica zegt:

    Leeft mevr bep hertogs nog?

Geef een reactie

Vul je gegevens in of klik op een icoon om in te loggen.

WordPress.com logo

Je reageert onder je WordPress.com account. Log uit / Bijwerken )

Twitter-afbeelding

Je reageert onder je Twitter account. Log uit / Bijwerken )

Facebook foto

Je reageert onder je Facebook account. Log uit / Bijwerken )

Google+ photo

Je reageert onder je Google+ account. Log uit / Bijwerken )

Verbinden met %s